
De man staat met gebogen hoofd onbeweeglijk op het houten podium. Voor hem zitten duizenden mensen op de grond. Alle ogen zijn op hem gericht. Aan de rand van het veld ruisen de dennen. Zijn witte broek steekt helder af tegen het donkere hout van het podium. De lange, donkere jas valt recht langs zijn lichaam. Zijn handen houdt hij op de rug gevouwen. Een windvlaag strijkt door zijn zwarte haar. Hij oogt jonger dan veel van de mensen die voor hem zitten. Uit alle windstreken zijn ze gekomen. Sommigen hebben dagen gereisd om hem te zien, om hem te horen, misschien wel om eindelijk antwoord te krijgen op een vraag die ze al jaren met zich meedragen. Niemand praat of kucht. Een merel landt op een tak van een van de bomen aan de rand van het veld. Hij fluit, helder, niet wetend dat hier een bijeenkomst van wereldbelang plaatsvindt. Nu kijkt de man voor het eerst op. Pas wanneer de vogel wegvliegt, richt de man zijn blik op de mensen. Hij wijst naar de lege tak.
‘Wie van u heeft de vogel gezien?’
Niemand antwoordt.
‘U keek naar mij.’
Hij laat zijn blik over de menigte gaan.
‘Dat verbaast mij niet. U bent immers hier om mij te horen.’
Hij zwijgt even.
‘Maar ziet u wat er gebeurt? Op het ogenblik dat u naar mij kijkt, houdt u op zelf te kijken.’
Weer stilte.
‘Als u afhankelijk wordt van degene die wijst, zult u nooit ontdekken of hij werkelijk ergens naar wijst.’
Hij laat zijn hand zakken. De stilte wordt dieper dan daarvoor.
‘Weet u,’ vervolgt hij, ‘ik wil geen volgelingen.’
Hij kijkt de aanwezigen aan, knikt en glimlacht. Minuten sluipen voorbij. Pas daarna spreekt hij over de Orde. Over waarheid die zich niet laat bezitten.
‘Een organisatie die mensen bijeenhoudt om één mens te volgen, werkt precies datgene in de hand wat zij zegt te willen voorkomen.’
In zijn stem klinkt geen verwijt door. Wanneer hij eindigt met de woorden dat de Orde van de Ster wordt opgeheven, beweegt niemand. Alsof de betekenis de menigte nog niet heeft bereikt. Pas na een lange tijd schuift ergens een stoel. Mensen staan langzaam op. Er wordt zacht gesproken, in Engels, Duits, Frans, Hindi, Nederlands. Sommigen lopen weg.
Hendrik blijft zitten. Hij is drieënzestig. Achttien jaar geleden sloot hij zich aan bij de Orde. Sindsdien is hij elk jaar naar Ommen gekomen. Hij heeft zalen gehuurd voor lezingen, brieven geschreven en vrienden verloren die hem een dromer vonden. In de binnenzak van zijn colbert zit een brief. Hij heeft hem thuis drie keer overgeschreven.
Geachte heer Krishnamurti,
Hij had hem na de bijeenkomst willen overhandigen. Om hem heen wordt het leger en leger. Vrijwilligers halen vlaggen neer. Iemand begint banken op elkaar te stapelen. Hendrik haalt de brief uit zijn jas. Hij kijkt er een tijd naar. Dan scheurt hij hem voorzichtig doormidden. Nog een keer. Een windvlaag neemt een stukje papier mee. Hij kijkt het na tot het tussen de dennen verdwijnt. Dan hoort hij een merel. Hendrik kijkt op. Alleen naar de vogel.